Van Luxor naar Cairo

De lotgevallen van 22 Oudegyptische koninklijke gemummificeerde lichamen

Recent kwamen enkele Oudegyptische koningen en koninginnen opnieuw uitgebreid aan bod in de wereldpers omdat hun stoffelijke resten van het Egyptische Museum aan het Tahrirplein in Cairo naar het net geopende Nationaal Museum van Egyptische Beschaving een beetje verderop verhuisd werden. Om deze grootschalige verhuis luister bij te zetten werden de lichamen van de in totaal 22 koningen en koninginnen onder begeleiding van een monumentaal dans- en muziekspektakel overgebracht in speciaal daarvoor ontwikkelde wagens. Dit is echter niet de eerste keer dat hun stoffelijke resten deel uitmaakten van een heuse optocht. Deze bijdrage schetst een overzicht van het wedervaren van de koninklijke gemummificeerde lichamen na hun oorspronkelijke begraving…

De oudheid

Het is algemeen bekend dat de oude Egyptenaren uit de elite de lichamen van hun overledenen trachtten te bewaren door ze te mummificeren. Bij dit proces werden de interne organen verwijderd en werden de lichamen uitgedroogd door ze voor een lange periode in natron (een soort natuurlijk voorkomend zout) onder te dompelen. Tot slot werden de lichamen bestreken met een hars om natuurlijke microben en waterpenetratie tegen te gaan. De lichamen van verschillende Oudegyptische koningen en koninginnen uit het Nieuwe Rijk (1550-1069 v.C.) werden eveneens op die manier behandeld en dit is een belangrijke reden waarom ze tot op vandaag nog steeds vrij goed bewaard gebleven zijn. Na hun overlijden werden de gemummificeerde lichamen van deze koningen en koninginnen uit het Nieuwe Rijk begraven in prachtig gedecoreerde graven die waren uitgehakt in de rotsen van de Vallei der Koningen (nabij de moderne stad Luxor).

Aan het einde van het Nieuwe Rijk verliest Egypte echter de controle over grote delen van haar noordelijke en zuidelijke gebieden en dus ook over belangrijke bronnen van inkomsten, zoals de goudmijnen die zich nu in het moderne Soedan bevinden. Dit is eveneens de periode waarin we voor het eerst documenten zien opduiken over inbraken in de koninklijke graven uit het Nieuwe Rijk. De rovers werden aangetrokken door de grote hoeveelheden goud en andere kostbare grafgiften. De papyrus Abbott getuigt bijvoorbeeld over commissies die ingesteld werden om de inbraken te onderzoeken. Verder lezen we in dergelijke papyri ook over getuigenverhoren die werden afgenomen en zelfs over de straffen die werden uitgedeeld aan veroordeelde inbrekers. Deze teksten worden nog steeds geïnterpreteerd als bewijsmateriaal voor de verslechterende economische situatie in Egypte aan het einde van het Nieuwe Rijk, waarbij het centrale bestuur meer en meer de controle over het land verloor. Velen zagen dus hun kans schoon om zichzelf te verrijken met kostbaarheden uit de koninklijke graven.

Papyrus Abbott: https://www.wikipedia.org

Niet lang daarna werden de koninklijke graven echter opnieuw geopend en werden hun lichamen herbegraven. Dit gebeurde in opdracht van de hogepriesters van de god Amon die na het einde van het Nieuwe Rijk de eigenlijke heersers over het zuiden van Egypte werden (er waren op dat ogenblik nog steeds koningen die in naam over heel Egypte heersten, maar in de praktijk was hun eigenlijke macht beperkt tot het noordelijke deel van Egypte). Lang is aangenomen geweest dat de hogepriesters van Amon de koningen uit het Nieuwe Rijk niet alleen herbegroeven om “te redden wat er nog te redden viel” van hun grafgiften, maar ook om hun vroomheid te tonen en tegelijk hun eigen macht te legitimeren. Door de koninklijke lichamen te herbegraven profileerden ze zich namelijk als waardige opvolgers van de machtige koningen uit het Nieuwe Rijk. Op basis van een aantal brieven uit Deir el-Medina, het dorp waar de koninklijke grafdelvers uit het Nieuwe Rijk woonden, werd echter overtuigend aangetoond dat de hogepriesters van Amon zelf nauw betrokken waren bij de inbraken in de koningsgraven en het goud en andere waardevolle objecten in deze graven als een gemakkelijke bron van inkomsten beschouwden. Met andere woorden, de hogepriesters van Amon waren dus zelf mee verantwoordelijk voor de inbraken, maar zorgden er tegelijk voor dat de koningen een nieuwe, vrij armoedige grafuitzet kregen om zo toch hun eigen macht te kunnen legitimeren.

Het bleef echter niet bij deze herbegravingen. Ongeveer 15 jaar later werden de koninklijke graven immers opnieuw geopend en werden hun gemummificeerde lichamen verschillende keren verplaatst naar andere graven in de necropool nabij Luxor. Recent heeft Harco Willems, professor Egyptologie aan de KU Leuven, bijvoorbeeld het traject dat het lichaam van koning Ramses II afgelegd heeft, volledig uitgeplozen (zie afb. 4). Zijn lichaam lag eerst begraven in zijn eigen graf (grafnummer KV 7) dat zich in de Vallei der Koningen bevindt. Daarna werd hij verplaatst naar het graf van zijn vader koning Seti I (KV 17) en vervolgens naar het graf van koningin Inhapy (KV 39). Vervolgens werd hij uiteindelijk nog twee keer verplaatst: eerst naar het graf van koning Amenhotep I (Dra Aboe el-Naga AN-B) en tot slot naar de grote koningscachette[1] (TT 320). Dit traject is te volgen dankzij enkele administratieve notities die ten tijde van de verplaatsingen op de lijkkist en lijkwindsels van Ramses II geschreven werden (zie afb. 3). Over het waarom van deze verplaatsingen precies gebeurd zijn, heeft professor Willems een vrij logische hypothese voorgesteld. Volgens hem lijkt het namelijk dat de hogepriesters van Amon de koninklijk mummies gebruikt hebben als propagandistische attributen bij hun eigen begrafenisrituelen. Het is immers opvallend dat de koninklijke lichamen op exact dezelfde dagen verplaatst werden waarop ook enkele hogepriesters van Amon zelf begraven zijn. Dit suggereert dat deze hogepriesters hun eigen begrafenis heel nauw trachtten te verbinden met de herbegravingen van de grote koningen van weleer. Op die manier hoopten de hogepriesters zich als waardige opvolgers te kunnen profileren en hoopten ze op bescherming van de koningen in het hiernamaals. Uiteindelijk worden de koningen en koninginnen uit het Nieuwe Rijk vrijwel allemaal samengebracht op twee plaatsen: in het graf van koning Amenhotep II (KV 35) en in de grote koningscachette (TT 320). In de koningscachette werden echter ook verschillende leden van de familie van hogepriesters begraven die verantwoordelijk waren voor de inbraken in de koningsgraven en de verplaatsingen van de koninklijke lichamen. Het is in deze twee graven dat hun lichamen de volgende 3000 jaar zouden rusten.

De 19e eeuw

De locatie van beide koningscachetten werd aan het einde van de 19e eeuw teruggevonden. In de zomer van 1871 werd de grote koningscachette (TT 320) door de plaatselijke Abd el-Rassul familie gelokaliseerd, die de daaropvolgende 10 jaar bij mondjesmaat objecten uit de koningscachette op de antiekmarkt te koop aanbood. Pas in 1881 kwam de Oudheidkundige dienst in Cairo de Abd el-Rassul familie op het spoor. Kort daarna gaf Mohammed, een van de familieleden, de locatie van de koningscachette prijs in ruil voor vrijstelling van vervolging. Vervolgens werd besloten om het graf zo snel mogelijk leeg te halen, wat de opgravingsleider Emil Brugsch klaarspeelde in een periode van slechts enkele dagen. Daarna werden de lichamen en objecten per boot naar Cairo vervoerd. Deze snelle ontruiming is helaas een van de grootste archeologische rampen in Egypte, want het heeft

ervoor gezorgd dat er tot op vandaag nog steeds onzekerheid is welk lichaam in welke kist lag of welke binnenkist bij welke buitenkist hoorde. Ook is er amper tot weinig informatie over de locatie van alle objecten in het graf, waardoor we dus niet meer kunnen vaststellen hoe het graf er uit zag en welke personen vroeger of later dan anderen
werden bijgezet.

Zoals eerder al werd vermeld, is de grote koningscachette niet het enige graf waar koninklijke lichamen teruggevonden zijn. Op 12 februari 1898 stootte Victor Loret tijdens diens opgravingen in de Vallei der Koningen op het graf van koning Amenhotep II (KV 35) waar hij, tot zijn ultieme verbazing, niet alleen het lichaam van Amenhotep II maar ook nog 13 andere lichamen aantrof. Het merendeel van de personen die in dit graf begraven lagen, konden door middel van inscripties als koningen uit het Nieuwe Rijk geïdentificeerd worden. De lichamen en objecten die in dit graf gevonden waren, werden eveneens per boot naar Cairo vervoerd. Na hun aankomst in Cairo, keerden de lichamen – met uitzondering van de objecten die naar het museum in Cairo gingen – echter onmiddellijk terug naar het graf van Amenhotep II, omdat de publieke opinie en de toenmalige regering het immoreel achtten om de Oudegyptische koningen uit hun graven te verwijderen. Bijna twee jaar verbleven de lichamen in dit graf tot wanneer dit werd opengesteld voor het publiek. Op dat ogenblik werden alle lichamen terug naar Cairo gebracht, behalve dat van Amenhotep II zelf, de lichamen van drie vrouwen en het lichaam van een jonge jongen. Tijdens een latere inbraak werd het lichaam van Amenhotep II beschadigd, waarna ook hij naar het museum in Cairo overgebracht werd. In 2009 werden tot slot de drie vrouwen naar Cairo gebracht, waardoor op dit moment enkel het lichaam van de jonge jongen zich nog in het graf bevindt.

Musea als nieuwe koninklijke rustplaatsen

De afgelopen 130 jaar zijn de koninklijke lichamen verschillende keren verplaatst. Van hun eerste verblijfplaats in het originele Museum van Egyptische Oudheden in Bulaq (een toenmalig havendistrict in Cairo), dat te kampen had met enorme vochtproblemen en zelfs met een occasionele Nijloverstroming, werden ze overgebracht naar een van de paleizen van de Khedive, de toenmalige Ottomaanse onderkoning in Egypte, in Giza. Vervolgens werden ze in 1902 ondergebracht in het nieuwgebouwde Egyptische Museum aan het Tahrirplein, waar ze vrijwel onafgebroken tot april 2021 verbleven. De enige uitzondering is van 1931 tot 1936 wanneer de koningen tijdelijk opgebaard lagen in het mausoleum van Saag Zaghloul, een nationalistisch gezinde eerste minister van Egypte, die kort daarvoor gestorven was en voor wie dit mausoleum als eerbetoon aan zijn patriotisme opgericht was. De toenmalige koning Fouad I, die duidelijk niet met Zaghloul door één deur kon, verhinderde dat die laatste in zijn mausoleum begraven werd en beval dat de Oudegyptische koningen daar in Zaghloul’s plaats moesten opgebaard worden. Op die manier kon Fouad I zich als een moderne afstammeling van deze koningen profileren. Na de dood van Fouad I in 1936 werden de koninklijke lichamen terug naar het museum aan het Tahrirplein overgebracht en werd Zaghloul eindelijk in zijn mausoleum begraven. In april 2021 werden 22 lichamen van Oudegyptische koningen en koninginnen tijdens een monumentale processie overgebracht naar het spiksplinternieuwe Nationaal Museum van Egyptische Beschaving.

Nationaal Museum van Egyptische Beschaving (www.nmec.gov.eg)

Tijdens hun verblijf in deze opeenvolging van musea werden de koninklijke lichamen aan verschillende onderzoeken onderworpen. In 1886 werden vrijwel alle stoffelijke resten voor de eerste keer sinds de oudheid van hun linnen windsels ontdaan, waarna de lichamen gemeten en bestudeerd werden. Dit proces werd nog een aantal keer herhaald in de daaropvolgende jaren tot wanneer nieuwe geneeskundige technologie het mogelijk maakte om diepergaand onderzoek uit te voeren. Zo werden de koninklijke lichamen in 1967 bijvoorbeeld onderworpen aan een X-ray onderzoek, en van 2007 tot 2009 werden CT-scans genomen en ondergingen ze ook DNA-onderzoek om hun familierelaties te achterhalen.

Debat: tentoonstellen of niet?

Tot slot zou ik nog graag kort de verschillende standpunten in een belangrijk debat uiteen willen zetten. Al van bij hun eerste verplaatsing naar Cairo zijn de koninklijke lichamen namelijk een onderwerp van controverse geweest. Zoals eerder al vermeld werd, zag de Oudheidkundige dienst zich gedwongen om de lichamen uit het graf van Amenhotep II onmiddellijk na hun aankomst in Cairo terug te brengen. Dit gebeurde onder druk van de publieke opinie en de toenmalige Egyptische regering die het weghalen van de koninklijke lichamen uit hun graven immoreel achtten. Deze kwestie is daarna nog een aantal keer aan bod gekomen en het debat waait ook nu weer op. De discussies hebben duidelijk aangetoond dat opvattingen over het al dan niet tentoonstellen van overleden menselijke lichamen niet alleen doorheen de tijd veranderden als gevolg van wijzigende politieke, economische, religieuze, ethische en emotionele opvattingen. Opvattingen verschillen echter ook naargelang de belangengroep waartoe men behoort.

De publieke opinie in Egypte is al geruime tijd verdeeld in twee kampen. Enerzijds mensen die omwille van uiteenlopende redenen vóór de tentoonstelling van de koninklijke lichamen zijn én van menselijke resten in het algemeen. Sommige Egyptenaren voelen namelijk trots of verbondenheid bij het zien van de stoffelijke resten van belangrijke historische personages uit hun eigen geschiedenis, terwijl anderen de lichamen als een belangrijke toeristische attractie en dus een bron van inkomsten beschouwen. Nog anderen beschouwen de gemummificeerde lichamen op een vrij macabere manier als curieuze objecten. Anderzijds zijn er ook Egyptenaren die het tentoonstellen van menselijke lichamen niet respectvol en immoreel vinden en dus voorstander zijn om de lichamen niet tentoon te stellen, maar uit het zicht te bewaren of zelfs opnieuw te begraven. Een dergelijke tweedeling is ook zichtbaar in de publieke opinie buiten Egypte en onder academici. De meeste academici zijn het erover eens dat de lichamen een belangrijke bron van historische, anatomische en pathologische informatie vormen, maar er heerst discussie of het nog steeds moreel verantwoord is om menselijke resten tentoon te stellen en zo ja, op welke manier dan. Academici bevinden zich echter in een moeilijke positie, aangezien het niet tentoonstellen van menselijke resten niet alleen kan opgevat worden als intellectueel snobisme en elitarisme van academici die zo de toegang tot bepaalde oudheden enkel voor zichzelf zouden voorbehouden, maar ook als het verbergen van bepaalde kennis, wat al heel snel tot samenzweringscomplotten zou kunnen leiden.

Conclusie

Het is vrij duidelijk dat de leden van de koninklijke familie uit het Nieuwe Rijk hoopten dat hun lichamen voor eeuwig in hun prachtig gedecoreerde graven nabij de huidige stad Luxor zouden rusten. Het relaas in dit artikel toont dat hun rust echter van korte duur was en dat hun lichamen zowel in de oudheid als tijdens de laatste 140 jaar regelmatig in propaganda en machtsspelletjes gebruikt zijn. Het debat over het al dan niet tentoonstellen van de stoffelijke overschotten van deze Oudegyptische koningen van weleer zal zeker nog een tijdje voortduren, hopelijk met een aantal interessante en ethische conclusies tot gevolg. Voor de geïnteresseerden die na de coronapandemie een reis naar Egypte wensen te plannen: de lichamen van 20 Oudegyptische koningen, waaronder de bekende Ramses II, liggen nu opgebaard in het Nationaal Museum van Egyptische Beschaving en zijn toegankelijk voor het publiek.

Maarten Praet

Bibliografie

Bard, K. A., An introduction to the archaeology of ancient Egypt, 2015, Oxford.

Ikram, S. ‘From Thebes to Cairo: the Journey, Study, and Display of Egypt’s Royal Mummies, Past, Present and Future’, In: P. Davoli en N. Pelle (eds), Polymatheia. Studi classici offerti a Mario Capasso, Lecce, 2018, p. 867-83.

Schulz, R., en Seidl, M., Egypte. Het land van de farao’s, Keulen, 1997.

Willems, H. O., ‘De herbegraving van koninklijke mummies in de 21e dynasty. Zorg voor de doden of een politiek ritueel’, Phoenix. Tijdschrift voor de archeologie en geschiedenis van het Nabije Oosten, 62 (2016), p. 41-55.


[1] De Franse term cachette werd in de 19e eeuw in gebruik genomen om te verwijzen naar een aantal specifieke goed verborgen graven waarin een groot aantal lichamen aangetroffen werden. Men meende dat de Oude Egyptenaren op die manier hun overledenen wilden beschermen tegen inbraken en diefstallen. De term werd ingevoerd onder invloed van Franse Egyptologen die de toenmalige Oudheidkundige dienst in Egypte domineerden.