Het zenuwcentrum van de bezetting in 14-18
De gebeurtenissen aan de IJzer in 1914-18 zijn een van de best bekende episodes in de wereldgeschiedenis. Minder bekend is dat een groot deel van wat daar plaatsvond, beslist werd en aangestuurd vanuit een stad 35 km ten oosten: Tielt. Als hoofdkwartier van het Duitse leger tijdens WOI speelde het dus letterlijk en figuurlijk een centrale rol in de oorlog. Met ook zware gevolgen voor de burgerbevolking.
Dat het neutrale België betrokken werd in Wereldoorlog I, was een gevolg van het beruchte Schlieffen-plan. De redenering was dat Duitsland geen oorlog op twee fronten aankon, met Frankrijk in het westen en Rusland in het oosten. Daarom moest Frankrijk snel uitgeschakeld worden door een aanval in de flank vanuit België en Luxemburg, waarna men zich zou kunnen concentreren op Frankrijks bondgenoot Rusland. Niet alleen voor België maar ook in het grotere geheel speelde het plan een cruciale rol: voor de geallieerden vormde het hét bewijs van het agressieve Duitse militarisme en dus van het feit dat Duitsland (als enige) verantwoordelijk was voor het uitbreken van WO I (zie Post Scriptum nr. 106 voor enkele beschouwingen in dat verband).
Een vrijblijvende denkoefening?
Graaf Alfred von Schlieffen was hoofd van de Pruisische generale staf van 1891 tot 1905. Hij geldt als de vader van het plan. Maar sommige hedendaagse historici betwijfelen of er wel echt een plan was. De idee van een strak plan is moeilijk verenigbaar met de Pruisische militaire traditie, die niet gelooft in een van boven opgelegde strategie maar wel in flexibiliteit in functie van de omstandigheden ter plaatse, op basis van beslissingen door de commandanten te velde. Bovendien was ‘een snelle overwinning in zes weken’ niet noodzakelijk het einddoel. Een snelle opmars kon evengoed nuttig zijn om de tegenstander aan de onderhandelingstafel te krijgen, of om vijandige troepen vast te pinnen op plaatsen waar ze minder schade konden berokkenen (de Duitsers wilden te allen prijze vermijden dat de Fransen zich zouden ingraven aan hun verdedigingslinies langs de Frans-Duitse grens). De voornaamste bekommernis van Schlieffen was het vermijden van een frontale botsing tussen Franse en Duitse troepen aan de gemeenschappelijke grens. Zo’n directe confrontatie zou gigantische verliezen met zich meebrengen, redeneerde hij. Daarom verkoos hij een omtrekkende beweging, om de Fransen in de flank of van achteren aan te vallen. Dat vereiste niet noodzakelijk een opmars tot Parijs. De omtrekkende beweging kon evengoed de streek van Verdun tot doel hebben, of zelfs … Duitsland zelf – in een scenario waarin de Fransen Duitsland zouden binnenvallen, zou het Schlieffen-plan de kans bieden om hen in de rug aan te vallen. Schlieffen was dus niet de starre dogmaticus waar velen hem voor houden. Hij had eindeloos alternatieven afgewogen en de verschillende scenario’s nagespeeld. En vond het plan uiteindelijk de beste optie.

Belangrijk is wel dat Schlieffen in zekere zin in een vacuüm werkte. In de sterk gedecentraliseerde staatsstructuur van het keizerlijke Duitsland was het leger een bevoegdheid van de deelstaten. Als Pruisische stafchef had Schlieffen dus niets te zeggen over de strijdmachten van Beieren, Saksen en Württemberg (de kleinere deelstaten hadden hun legers wel onder Pruisisch bevel geplaatst). Zijn plannen waren bijgevolg in hoge mate theoretisch (hoewel het wel degelijk de bedoeling was om in een oorlogssituatie alle Duitse legers onder één gezamenlijk opperbevel van de Pruisische stafchef te plaatsen, en die laatste natuurlijk mocht nadenken over zo’n eventualiteit). En dat werd ook zo aangevoeld, niet alleen door politici (die om die reden niet de behoefte voelden hem te bekritiseren – als ze al geïnteresseerd waren in zijn denkoefeningen) maar ook door hemzelf. Hij voelde zich waarschijnlijk vrij om toe te geven aan enkele ‘fantasietjes’ (sommige historici opperen dat hij zijn plan bewust onhaalbaar maakte op enkele punten, in de hoop zo aan te tonen dat het leger te weinig geld kreeg), niet alleen over een opmars tot Parijs maar, veel ruimer, over een legerleiding die het zich kon permitteren louter in militaire termen te denken en geen rekening te houden met politiek of diplomatie. Die discrepantie zou een (fatale) rol gaan spelen in de laatste dagen vóór het uitbreken van WOI…
Rusland: van loser tot geduchte tegenstander
Het plan in zijn originele vorm kwam tot stand in 1905. Rusland was toen pas smadelijk verslagen door Japan, en Schlieffen nam daarom als uitgangspunt dat Rusland niet onmiddellijk een grote bedreiging vormde. Daardoor zou Duitsland bij een eventuele oorlog de tijd hebben om eerst met Frankrijk af te rekenen. Enkele jaren later was dat uitgangspunt al volkomen achterhaald. Rusland had zijn leger aan een duizelingwekkend tempo hersteld en verder uitgebouwd (mede dankzij massale Franse steun door wapenleveringen en de bouw van spoorwegen) en vormde nu een geduchte tegenstander. Toch hield Helmuth von Moltke, de nieuwe stafchef, vast aan het plan van zijn voorganger. Zijn redenering was nu dat, juist omdat Rusland zo’n formidabele tegenstander zou zijn, een eventuele oorlog met dat land zeer lang zou duren. En dus moest Duitsland zijn handen vrij hebben door eerst Frankrijk uit te schakelen. Bovendien ging Moltke ervan uit dat, als de Fransen delen van Duitsland zouden kunnen bezetten, ze daar veel moeilijker te verjagen zouden zijn dan de Russen in het oosten. Ook dat was een reden om zich eerst op Frankrijk te richten.
Moltke wijzigde het plan wel op enkele cruciale punten. De aanvankelijke bedoeling om ook door Nederlands-Limburg op te rukken, werd verlaten. Moltke wou dat Nederland neutraal bleef, om te vermijden dat de Engelsen het zouden gebruiken als bruggenhoofd voor een invasie van Duitsland. Het nadeel was dat de Duitsers nu door een smalle corridor zouden moeten oprukken, waar de Belgen meer gelegenheid hadden om stokken in de wielen te steken.
Uit voorzichtigheid besloot hij ook om meer troepen in te zetten aan de grens met Frankrijk, als extra beveiliging voor het geval de Fransen zouden proberen daar door te breken. Het gevolg was wel dat de getalsterkte van de troepen die door België moesten oprukken, evenredig verminderde en er, volgens sommige critici, gewoon te weinig manschappen overbleven om nog een kans op slagen te hebben. Moltke dacht dat het ‘psychologische voordeel van de aanval’ een en ander zou compenseren – een uitspraak die het voor hedendaagse waarnemers niet bepaald gemakkelijk maakt om de man serieus te nemen. Maar het beeld van de immer weifelende figuur die door zijn ondoordachte ingrepen een in wezen goed plan torpedeerde, is deels een constructie van landgenoten die achteraf een zondebok zochten voor de Duitse nederlaag.

Aartspessimist Moltke
Moltke was overigens pessimistisch over de militaire kansen van Duitsland in een groot conflict. Het Schlieffen-plan was in zijn ogen de enige manier waarop Duitsland nog een kans maakte – hoe klein ook. Van zijn oom (ook Pruisisch stafchef in zijn tijd) is de spreuk bekend dat de militaire strategie het eerste is wat sneuvelt bij contact met de vijand. Zijn neef en opvolger voelde wellicht niet de aandrang om de wijsheid van zijn illustere oom in twijfel te trekken. Het is moeilijk in te schatten in hoeverre dat bijdroeg tot een houding van ‘het doet er allemaal niet toe’ en een blindheid voor de zwaktes van het Schlieffen-plan. Meer in het algemeen dacht Moltke dat een ‘moderne’ oorlog, met landen die massaal mobiliseren en tot de tanden gewapend zijn met het nieuwste wapentuig, zeer lang zou kunnen duren. Hij geloofde waarschijnlijk zelf niet in de mogelijkheid van een snelle overwinning door een aanval via België. Maar in het vooruitzicht van een langdurige strijd vond hij het essentieel om een bewegingsoorlog te kunnen voeren en te vermijden dat de legers zich zouden ingraven, met als gevolg een stellingenoorlog. Duitsland zou per definitie in het nadeel zijn bij zo’n uitputtingsslag omdat het veel minder manschappen en grondstoffen had dan de Entente-landen. In de mate dat het Schlieffen-plan ertoe kon bijdragen een stellingenoorlog te vermijden, had het verdienste in zijn ogen. Het is natuurlijk ironisch dat de uitvoering van het plan al na zeer korte tijd uitmondde in juist de stellingenoorlog die Moltke zozeer vreesde – dankzij een geniaal Belgisch plan aan de IJzer…
In de laatste dagen vóór de oorlog woedde nog een strijd tussen de Duitse legerleiding enerzijds en de regering en de keizer anderzijds. Die laatsten wilden de beslissing om het Schlieffen-plan in gang te zetten, zo lang mogelijk uitstellen. De legerleiding vond dat elk uitstel de kansen van Duitsland fataal zou hypothekeren. Uiteindelijk haalde die laatste visie het. De legerleiding had wel degelijk alternatieve plannen klaarliggen voor een aanval die op Rusland gericht zou zijn. Maar Moltke maakte de keizer en de regering wijs dat er geen alternatief was, en geen weg terug. Toen Rusland mobiliseerde en zijn troepen liet oprukken richting Duitse grens, vond men in Duitsland dat men geen andere keuze meer had: het plan werd in werking gesteld en Duitse troepen kregen het bevel België binnen te trekken.
De Luikse forten gaan de lucht in
Opvallend genoeg verspilden de Duitsers wel nog kostbare tijd door eerst een ultimatum aan België te stellen. Daarin werd niet alleen benadrukt dat Duitsland zogezegd geen andere keuze had maar werd ook verzekerd dat men schadevergoeding zou betalen voor de doortocht zelf en alle schade die eruit zou resulteren. Men had zelfs overwogen om België gebiedsuitbreiding ten koste van Frankrijk aan te bieden. Het ultimatum werd echter onverenigbaar geacht met de nationale eer van België en kordaat afgewezen. België en Duitsland waren nu in oorlog.
Een dag later, op dinsdag 4 augustus 1914, overschreden de Duitse troepen de grens in Gemmenich. Een van hun eerste opdrachten was om de ‘vesting Luik’ (12 forten rond de stad) uit te schakelen om te vermijden dat naar Frankrijk oprukkende Duitsers van daaruit in de rug aangevallen zouden worden. Na aanvankelijk zware Duitse verliezen werden op 11 en 12 augustus de fameuze Dikke Bertha’s in stelling gebracht, waarmee de Luikse forten tot puin herleid werden. Op 16 augustus was de rol van de vesting Luik uitgespeeld maar daarmee was de Duitse opmars wel aanzienlijk vertraagd. De slag bij Luik was dus een grote morele opsteker voor de geallieerden.
Het volgende obstakel voor de Duitsers was de 40 km verder gelegen Getelinie, die de weg naar Antwerpen afsneed en waar de Belgische troepen zich teruggetrokken hadden. In Halen, aan de grens tussen Limburg en Brabant, probeerden de Duitsers op 12 augustus de brug over de Gete over te steken. Overmoedig geworden door het feit dat de Belgische genie er niet in geslaagd was de brug (volledig) te dynamiteren, besloten de Duitsers een ouderwetse cavaleriecharge met de blanke sabel te lanceren. Dat liep uit op een fiasco. De Belgen, die te voet vochten, maaiden de Duitsers neer. Het slagveld was bezaaid met de sierlijke zilverkleurige helmen van Duitse cavaleristen, vandaar de naam Slag der Zilveren Helmen. Het zou de laatste keer zijn dat in West-Europa een klassieke aanval van de cavalerie zou gebeuren.
Opnieuw een morele opsteker voor de Belgen dus. Maar omdat de beloofde Franse hulp uitbleef en omdat meer zuidelijk de Duitsers snel oprukten tussen Samber en Maas, besliste de koning op 18 augustus om zijn leger terug te trekken binnen de ‘vesting Antwerpen’, het zgn. nationaal reduit (de dubbele fortengordel rond de stad). Na de val van de Naamse forten tussen 21 en 24 augustus kregen de Duitsers daardoor vrij spel in het midden en zuiden van het land. Op 20 augustus was Brussel al bezet, zonder echte tegenstand.
De opmars naar Parijs loopt vast
Intussen was de Duitse hoofdmacht afgebogen naar het zuiden, richting Parijs. Aan de Franse grens werd hevig slag geleverd met Franse en Engelse troepen (‘Slag aan de Grenzen’, met o.m. de slag bij Bergen en bij Charleroi, 23-24 augustus). De geallieerden besloten op 27 augustus zich terug te trekken in de richting van de Marne, achtervolgd door de Duitsers. Die kwamen op sommige plaatsen tot bijna 30 km van Parijs. Van 5 tot 12 september werd de Slag aan de Marne uitgevochten, die de Duitse opmars tot staan bracht. Dat betekende meteen ook dat het Schlieffen-plan mislukt was. Hoewel de Slag aan de Marne mythische properties gekregen heeft, had die geen enkele strategische waarde. De aanvoerlijnen van de Duitsers konden de snelle opmars immers niet volgen, dus ook als ze de overwinning behaald zouden hebben aan de Marne, zou het onmogelijk geweest zijn om Parijs in te nemen. Ze trokken zich daarom terug achter de Aisne, 60 à 80 km verder weg, waar ze zich ingroeven en zo de loopgravenoorlog begonnen.
Nadat de Fransen tijdens de ‘Eerste Slag bij de Aisne’ (tot 28 september) er niet in slaagden de Duitsers daar te verjagen, ontspon zich de zgn. Koers naar de Zee (tot 22 november). Beide legers probeerden in noordelijke richting een omsingelingsbeweging te maken om de anderen in de rug aan te vullen maar stootten daarbij telkens op vijandelijke troepen die hetzelfde probeerden.
Bommen op Antwerpen
Intussen waren de Belgen niet stil blijven zitten in Antwerpen. Ze lanceerden op 25-26 augustus en begin september een reeks uitvallen richting Mechelen en omstreken. O.m. in Zemst werd hevig gevochten. Op zich waren die uitvallen geen groot success maar strategisch waren ze belangrijk omdat het Duitse leger zo (langer) bezig gehouden werd in België. Die zagen zich zelfs gedwongen om hun aandacht op Antwerpen te richten, omdat ze geen ongedekte flank konden openlaten.
Op 25 september werden vanuit een Duitse zeppelin bommen gedropt op de Antwerpse binnenstad, met verschillende doden en gewonden tot gevolg. Drie dagen later begon het beleg van de stad. Het fort van Walem ging de lucht in. Op 6 oktober ’s morgens moesten de Belgen zich terugtrekken naar de binnenste fortengordel. De Antwerpenaren ontvluchtten de stad richting Nederland. Omdat de toestand hopeloos was, kreeg het veldleger nog dezelfde avond het bevel zich terug te trekken naar het Waasland (de vestingtroepen werden aan hun lot overgelaten maar konden nog vluchten naar Nederland). Die beslissing werd genomen in overleg met de Engelsen. De aftocht was bepaald spectaculair omdat de forten van Schoten, Brasschaat, Merksem, Kapellen en Lillo opgeblazen werden om ze niet in Duitse handen te laten vallen. Op 10 oktober gaf de burgemeester zich over.

De sluizen gaan open
Toen duidelijk werd dat Antwerpen definitief verloren was, ondanks toesnellende Britse troepen, trok het Belgische leger verder naar de Westhoek, met de bedoeling daar stand te houden, ondanks de vermoeidheid en de geslonken munitievoorraden. De Duitsers waren echter vastbesloten om de Kanaalhavens te veroveren, om zo de Britse aanvoerlijnen af te snijden. Ze vielen aan op 18 oktober en leken aanvankelijk succes te boeken (Slag aan de IJzer). Tot 21 oktober. Toen werden, met de hulp van een schipper, Hendrik Geeraert, de sluizen open gezet om de rechteroever van de IJzer onder water te zetten. Het waterpeil steeg erg traag, zodat de Duitsers toch de linkeroever konden veroveren (22-24 oktober). Daarop trokken de Belgen zich terug achter de (verhoogde) spoorweg Nieuwpoort-Diksmuide (26 oktober). Met de hulp van opzichter van de wateringen Karel Cogge worden daarom nog sluizen geopend, zodat ook de linkeroever overstroomde, tot aan de spoorwegberm (28-29 oktober). De Duitsers, die juist op dat moment al de spoorwegberm overgestoken waren op enkele plaatsen, moesten zich inderhaast terugtrekken. Ze konden op 10 november nog wel Diksmuide innemen. Het Belgisch-Franse plan om van daaruit een tegenoffensief te lanceren, werd noodgedwongen opgeborgen.
Intussen werd even ten zuiden daarvan de Eerste Slag om Ieper/First Battle of Flanders uitgevochten tussen Duitsers en Engelsen (o.m. Slag bij Langemark, 21 oktober, waar volgens de Duitse propaganda studenten zingend sneuvelden). De Engelsen werden teruggedrongen maar de Duitsers konden Ieper niet innemen. Omdat het begon te sneeuwen, besliste de Duitse legerleiding op 22 november 1914 het offensief te staken. Het front zat nu over heel de lengte muurvast, van de kust tot Zwitserland. Het Schlieffen-plan was definitief mislukt.
Schrikbewind in Tielt
Het West-Vlaamse Tielt had bij dat alles nog geen grote rol gespeeld. Het Britse leger had er overnacht tijdens de terugtocht van Antwerpen naar Ieper (12-13 oktober). Op 14 oktober werd Tielt bezet door de achtervolgende Duitsers. Zij beslisten om er tijdelijk hun militaire hoofdkwartier te installeren (Vierde Leger, onder Albrecht von Württemberg). Tielt was immers goed gelegen, grofweg halverwege tussen Gent en de IJzer, kort genoeg bij het front maar nog op veilige afstand, en was via spoorwegen verbonden met Diksmuide en de kust. Eind oktober verbleef zelfs keizer Wilhelm II in Tielt, om van daaruit de gevechten aan de IJzer te volgen. Hij zou er nog enkele keren terugkeren. De stad werd zo de locatie voor een aantal historisch erg belangrijke gebeurtenissen. Zo werden de plannen voor de eerste gasaanvallen er gesmeed.

Bedoeling was aanvankelijk om het hoofdkwartier zo vlug mogelijk naar Poperinge te verplaatsen, aan de grens met Frankrijk. Maar het vastlopen van het front aan de IJzer stak daar een stokje voor. Zo bleef Tielt tegen wil en dank tijdens de hele oorlog het militaire hoofdkwartier. Ook de supervisie van het burgerlijke bestuur van België ten westen van de Schelde gebeurde vanuit Tielt.
De bevolking kreeg het daarbij zwaar te verduren. Er waren doorlopend ongeveer 5.000 militairen aanwezig (op een burgerbevolking van 12.000). Fabrieken werden ontmanteld. Herenhuizen werden opgeëist voor de legerleiding en de staf van ongeveer 500 personen. De bewegingsvrijheid van de bevolking werd enorm ingeperkt. Telefoon was verboden, briefwisseling werd nagekeken. Huiszoekingen en fouilleringen waren aan de orde van de dag. Men mocht de stad alleen met toestemming verlaten. Tielt werd zelfs omringd door schrikdraad.
Koen Janssens