Bezoek aan Brik Boom

De spreekwoordelijke Vlaamse ‘baksteen in de maag’ en de grond waarop we leven, ze hebben iets met elkaar… De aanwezigheid van goedkope klei in de bodem heeft er in elk geval voor gezorgd dat we graag en veel bouwden. Heel wat dorpen, meestal niet zo ver van rivieren gelegen, bezitten vandaag nog heel wat verlaten steenbakkerijen. Sinds de middeleeuwen waren waterlopen zoals Rupel, Durme, Nete, Zenne, Dijle, Demer, Dender en Leie de goedkoopste en meest efficiënte manier om bakstenen per schip te transporteren. Omwille van haar centrale ligging in het waterwegennet nam vooral de Rupelstreek een belangrijke plaats in. Voor het ontstaan van de baksteennijverheid wordt graag verwezen naar de rol van de abdij van Hemiksem, een religieuze gemeenschap van cisterciënzers die tijdens de 13de eeuw grote gebieden ontgonnen en economisch exploiteerden. Wat er ook van zij, steenbakkerijen bestaan al eeuwen in de Rupelstreek. De ‘steendorpen’ langs deze zijrivier van de Schelde profiteerden na de grote brand van Antwerpen in 1546 volop van de heropbouw van de stad. Het moet wel gezegd dat op dat ogenblik de specialiteit van de streek vooral dakpannen en tegels waren en dat de productie van bakstenen slechts een nevenactiviteit vormde.

Het geleeg Noeveren (www.erfgoedcelmechelen.be)

De demografische groei van de 19de eeuw gaf aan de steen- en pannenbakkerijen langs de Rupel een nieuwe impuls. Bijvoorbeeld in de Boomse wijk Noeveren koos men resoluut voor bakstenen. Familiebedrijfjes maakten er plaats voor kleine en middelgrote ondernemingen die soms honderden arbeiders tewerkstelden. Ook de baktechnieken veranderden. De kleine paapoven die grijze tot blauwe stenen produceerde, werd vervangen door de klamp- en ringovens die verschillende bakkamers naast elkaar bezaten en een hogere productiviteit opleverden. De baksteenindustrie was zeer ingrijpend voor het landschap. Werken en wonen gebeurden er op grote ‘gelegen’. Op deze sites stonden niet alleen de ovens en de loodsen, maar ook de huisjes, de winkels en de herbergen van de arbeiders. Het werkvolk werkte en leefde dus op deze gelegen. Toch was steenbakken een seizoenarbeid. Het harde werk van het ‘klei steken’ gebeurde in de winter door de mannen, maar in de lente en de zomer werd iedereen van het gezin ingeschakeld. Vader was steenmaker en kwakte een hoop klei in een houten vorm die dan door de ‘afdragers’ (meestal kinderen) naar een eerste droogplaats werden gebracht. Voor een tweede droging werden ze door de ‘gamsters’ mooi opgestapeld in een droogloods. Het waren harde en lange werkdagen die tijdens de zomer tot 17 uur konden oplopen.

De steenbakkerijnijverheid is lange tijd een sector geweest waar men het niet altijd zo nauw nam met wettelijke voorschriften in verband met arbeidsduur, kinder- en vrouwenarbeid, arbeidscontracten en lonen. Dit was voldoende voor August De Winne om in zijn boek Door Arm Vlaanderen (1901-03) een weinig fraai sociaal beeld van de streek te schetsen. De sector was vooral berucht omwille van de kinderarbeid. Deze nam tot het einde van de 19de eeuw zodanige proporties aan dat volgens De Winne ook de patroons hiermee verveeld zaten. Een arbeider verklaarde hem dat gedurende de lange zomerdagen kinderen van zeven jaren arbeidden van 4 uur ’s morgens tot 9 en 9 ½ uur ’s avonds, zonder andere onderbreking dan een uur rust voor de maaltijden. ’s Morgens, wanneer men er niet in gelukte de schaapjes wakker te schudden, werden zij slapend aangekleed door de moeder, en vervolgens door den vader of door een gebuur op de werven gedragen; wanneer de arme kleinen daar ook bleven slapen, wierp men hen koud water in het aangezicht om ze te wekken! De socialistische journalist geeft toe dat de wet op de kinderarbeid van 1889 (verboden tot 12 jaar) veel ten goede heeft veranderd. Toch beklaagt hij zich in 1901 nog steeds over de lange werkdagen en het alcoolisme. In den winter werkt men met moeite gedurende tien weken, in den zomer gedurende vijf of zes maanden, waarvan de regendagen moeten afgerekend worden.

Niet toevallig is de Rupelstreek meer dan eens het toneel van zware sociale onlusten geweest. Zo was er ondermeer de grote Rupelstaking van 1894 die zich merkwaardig genoeg richtte tegen de nieuwe wet op de vrouwen- en kinderarbeid. Deze wet had immers de arbeidsduur voor jongens tot 14 jaar en meisjes tot 16 jaar beperkt tot 8 uur per dag. Voor het schamele gezinsinkomen was dit een serieuze aderlating. Het gevolg was een algemene staking in de steenbakkerijen, er waren voortdurend optochten die uitliepen op brandstichtingen en andere vernielingen. Het leger moest ingezet worden zodat de staking geen verdere uitbreiding in de rest van het land kende.  Gedurende twee weken lag de Rupelstreek plat. De staking kende weinig succes en had eigenlijk een cynische afloop: voortaan mochten jongens vanaf 12 en meisjes vanaf 14 jaar toch 12 uur per dag werken.

Naar verluidt bleven tot de Eerste Wereldoorlog allerhande misbruiken bestaan. Zo werkten arbeiders in steenbakkerijen nog vaak op basis van mondelinge afspraken met de baas. Op die manier waren ze overgeleverd aan zijn willekeur. Ontslag en verhuis hingen steeds boven het hoofd. De wet van 1889 had dan wel de kinderarbeid beperkt, maar in de steenbakkerijnijverheid was het de normaalste zaak van de wereld dat jongens en meisjes vanaf die leeftijd het zware werk van ‘afdrager’ op zich moesten nemen. Op die manier kwamen ze zeer jong in de harde wereld van de volwassenen terecht. Seksuele handtastelijkheden en zelfs verkrachting vormen precies het thema van Klinkaart (tevens de naam van een bekende baksteen).

Werken in een steenbakkerij bleef ook later een harde stiel, maar in het midden van de vorige eeuw – het hoogtepunt van de nijverheid – behoorden de sociale wantoestanden toch tot het verleden. Na de Tweede Wereldoorlog kregen de seizoensgebonden en arbeidsintensieve bedrijven het steeds moeilijker. Het succes van de machine- en snelbouwbaksteen betekenden het einde van de typisch Boomse klampsteen, papesteen, kerksteen en dakpannen. De opkomst van nieuwe bouwmaterialen, de concurrentie met bakkerijen in andere streken en de tijdelijke recessie van de bouwnijverheid zorgden er voor dat de meeste steenbakkerijen tussen 1975 en 1985 failliet gingen.

Wat er vandaag nog blijft is een brok boeiende industriële archeologie. De productietechnieken, de economische betekenis voor de streek en de werkvoorwaarden worden getoond in en rond Brik Boom, het vernieuwde bezoekerscentrum. Maar om echt te voelen wat het betekende om in en rond een steenbakkerij te werken en te leven moet je naar Noeveren, een echt ‘steendorp’ in de schaduw van schoorstenen en droogloodsen.

Bronnen

A. DE WINNE. Door Arm Vlaanderen. Gent, 1903, blz. 191-197.

M.-A. WILSSENS. Van Heppeneert tot Klein Rusland. 25 wandelingen door markante wijken in Vlaanderen. Davidsfonds, Leuven, 2010, blz. 209-218.

www.emabb.be

Dit artikel is een update van Een steen en weinig meer in de maag (Post Scriptum, 2011, nr. 90, p. 16-20).

Patrick Praet